Céline van Balen (1965)
Haarscherp zijn de foto’s van Céline van Balen. Met haar 4 x 5 inch technische camera legt ze elke oneffenheid vast. Het deukje in een droge lip, een moedervlek of de stof van een hoofddoekje. Toch maakt ze geen afdruk van de werkelijkheid, vindt Van Balen.* Ze toont háár visie, zij is de baas over het beeld. Van Balen schoot portretten van zwervers, kinderen van zeven jaar oud, pubers en moslimmeisjes. Elk beeld ademt eenzelfde betrokkenheid en aandacht voor authentieke schoonheid. Dat laat haar portretten zweven boven de grens tussen documentaire en autonome fotografie.**
In 1991 komt Van Balen via een cursus voor het eerst serieus in aanraking met fotografie. Ze raakt erdoor begeesterd, schaft een kleinbeeldcamera aan en zwerft door de stad. Ze fotografeert mensen aan de rand van de samenleving: junks, alcoholisten, zwervers. De pijn die mensen voelen en hun overlevingsmechanismen legt ze genadeloos bloot. Op haar dertigste, in 1995, gaat Van Balen alsnog naar de Rietveldacademie. Sindsdien durft ze haar onderwerpen steeds dichter te naderen. Van Balen maakt beeldvullende close-ups op groot formaat. Ze geeft ruim baan aan het soort schoonheid waar we ons vaak van afwenden of die we niet eens opmerken.
* A. Haijtema, ‘Op de Huid’, de Volkskrant, 21.02.2002
** www.geheugenvannederland.nl, 18.11.2008