Emo Verkerk (1955)
Emo Verkerk bouwt vaak met een paar materialen werkjes op die even tweedimensionaal zijn als driedimensionaal. Een tekening die uitsteekt of een beeld dat plat is. Vaak zijn het portretten van mensen die Verkerk bewondert. Francis Bacon, Carel Visser, de filosoof Spinoza, maar ook schrijvers als James Joyce en Georges Simenon of musici als Charley Parker. De portretten van Verkerk zijn zeker geen goed gelijkende weergave, maar toch waarheidsgetrouw – er bestaat geen twijfel over de wie of wat vraag.*
Het creëren van een ervaring van ruimte is iets wat de kunstenaar fascineert. Niet met behulp van het perspectief, dat vindt hij maar een armoedige ‘truc’.** Liever brengt Verkerk materiaal, betekenis en emotie samen, zonder dat ze vervloeien. Het blijven op zichzelf staande entiteiten, wat ons brein de mogelijkheid geeft om te schakelen tussen assemblage, portret en overdenking. Een hoopje dorre bladeren, een knoestige boomtak of een enkel basaltblok transformeert Verkerk tot pleisterplaatsen waar gedachten kunnen rondzwermen. Zijn bouwsels zijn meer dan een portret. Verkerk sticht iedere keer een klein erepodium voor de geportretteerde en een plek voor de verbeeldingskracht.
* H. Den Hartog Jager, Verf, Amsterdam 2004, p. 128
** J. Bremer, ‘Goede kunst overstijgt altijd de eenduidigheid: Emo Verkerk’, unlocked # 02 rabo kunstcollectie, Eindhoven 2005, p. 196