Top of this document
Go directly to page content

Iris van Dongen (1975)

Verfijnd, maar levensgroot zijn de pastel- en houtskooltekeningen van Iris van Dongen. Zij tekent tot in detail een duistere droomwereld waarin steevast jonge vrouwen verschijnen. Ze dwalen door een woud, kijken uit over een onzichtbaar vergezicht of komen op de toeschouwer aangelopen. Hun golvende haren, zachte blos of boze blik vormt een scherp contrast met een object elders op het papier. Een sjaal met een schedel erop, een rode mist of de frêle zijden bloemen van een kimono. Ze voelt zich verwant met de ranke vrouwenportretten en de natuurlijke krachten die de negentiende eeuwse Pre-Raphaelieten verbeeldden in hun werk.

De New York Times omschreef Van Dongen als een Pop-Conceptualist.* Zij plaatst wereldwijze vrouwen terug in de tijd van de Art Nouveau, koppelt donkere Gothicelementen aan Aziatische invloeden en roept de fantasiewereld van Edgar Allen Poe wakker. Van Dongen heeft een fascinatie voor de natuurlijke kracht die in vrouwen huist. Het liefst overstijgt ze de tijd en vangt de onsterfelijke schoonheid van de jeugd. Van Dongen verbindt heden en verleden, goed en kwaad en figuratie met abstractie. 



* K. Johnson, ‘Iris van Dongen’, The New York Times, 29.07.2005